Geen poespas

Over de onbegrijpelijke houding van de veevoederfabrikant.

In mijn dagelijkse praktijk loop ik niet zelden aan tegen onbegrip, onbekendheid en onkunde. Zo was onlangs mijn verbazing groot toen ik bij een melkveebedrijf aan tafel zat met een voerfabrikant en een dierenarts. Er lagen verschillende onderzoeken van erkende laboratoria op tafel van mestmonsters, kuilmonsters en monsters van het TMR rantsoen. Al deze onderzoeken wezen één ding overduidelijk aan: namelijk een zeer sterke schimmelbesmetting van de Aspergillus Fumigatus en een Clostridia bacterie in het voer!

Tot mijn schrik werden deze onderzoeken, uitgevoerd door gerenommeerde laboratoria met name door de vertegenwoordiger van de voerfabrikant, van tafel geveegd.
Gezien de problemen bij de veehouder op het bedrijf leek het mij zinvol om hier toch de komende tijd meer de aandacht op aan te besteden, zeker ook omdat de onderzoeken hier alle redenen toe geven.
De veevoerfabrikant wees dit echter van de hand!
Iedereen in de veehouderij weet hoe belangrijk het is om de gras en o.a. de maiskuilen broei- en schimmelvrij te houden. Nu werd in het gesprek juist beweerd dat dit niet zo belangrijk was. De redenering was dat een goede penswerking alleen wordt bereikt door pensfracties goed te berekenen. En al betrof het in de pens de Penicilline schimmel, dit was maar bijzaak en kon in de pens niet veel aanrichten, zo werd gesteld.

In dit soort gevallen vraag ik mij ten sterkste af welke kennis er nog bij de voerfabrikant aanwezig is. Waarom zijn ze zo makkelijk geworden en waarom leggen ze alle onderzoeken naast zich neer? Op deze vragen kreeg ik geen bevredigend antwoord.
Het mag toch niet zijn, dat als verschillende laboratoria in Nederland, waaronder Wageningen, het probleem aantonen, de voerfabrikant dit naast zich neerlegt en de getroffen veehouder met een mooi verhaal totaal op het verkeerde been zet?

Zelfs de Faculteit van Utrecht, waar we onderzoeken voorleggen, geeft het dringende advies om deze onderzoeken niet te onderschatten en met spoed actie in te ondernemen. Zelfs in zo’n situatie legt de veevoeradviseur de resultaten naast zich neer en slaat de adviezen in de wind. Dan is de vraag: voor welke portemonnee en welk belang zit hij dan aan tafel?
Het was overigens niet de eerste keer dat ik te maken krijg met een dergelijke opstelling van de kant van de veevoerfabrikant. Ik krijg regelmatig verschillende reacties van veehouders die met soortgelijke problemen zitten. Veehouders die ons benaderen met deze problematiek maken duidelijk dat er meer aan de hand is dan wat de voerfabrikanten denken!

Ik ben ervan overtuigd dat het tijd wordt dat de verschillende voerfabrikanten niet altijd maar denken dat zij het beter weten. Zij zullen eens moeten accepteren dat er ook andere partijen zijn die meer kennis in huis hebben dan zij. Dat is geen bedreiging voor de veevoerfabrikant, want juist door open te staan voor elkaars kennis en ervaring kunnen wij elkaar kunnen versterken. In het voordeel van de Nederlandse melkveehouderij!
Want het doel moet toch zijn dat het bij de veehouder goed moet gaan en niet alleen bij de voerfabrikant. Als het de veehouder goed gaat dan gaat het bij de rest van de sector ook goed.

Wij hebben het gesprek uiteindelijk afgesloten, een echte oplossing is er voor de veehouder niet direct uitgekomen. Ondanks de onderzoeken en de adviezen van de Faculteit in Utrecht heeft de veevoerfabrikant toch zijn invloed en macht kunnen aanwenden om de veehouder voldoende aan het twijfelen te brengen. De uitkomst: hou het voorlopig maar lekker simpel: ruwvoer (veel) krachtvoer en geen andere ‘poespas’ zoals hij het noemde. Dat voelde hij kennelijk te veel in zijn portemonnee. Wie de dupe is, is duidelijk: de veehouder, zijn dieren en uiteindelijk zijn rendement…

Terug